Jump to Navigation

Antistolling

Dit protocol is bedoeld als hulpmiddel tijdens de screening van electieve patiënten op de polikliniek Anesthesiologie en bij overleg over het aanbevolen beleid aangaande de meest voorkomende antistollingsmedicatie. Verder kan deze richtlijn worden gebruikt indien men wil controleren of het voorgeschreven beleid volgens de richtlijnen is.

De verantwoordelijkheid voor de beslissing over het wel of niet continueren van antistolling en de uitvoering van deze beslissing ligt bij de hoofdbehandelaar, dat wil zeggen de operateur. Hij/zij kan zijn/haar wensen omtrent antistolling aangeven in EPIC. De anesthesioloog volgt dit beleid, tenzij er vanuit zijn uitgangspunt een andere beslissing nodig is (bv in het geval van een neuraxiale techniek). De laatste tijd is er een duidelijke trend gaande waarbij voor steeds meer ingrepen de antistolling peroperatief wordt gecontinueerd. Bij twijfel zal er overleg moeten plaatsvinden met de operateur en eventueel met afdeling cardiologie of vasculaire geneeskunde.

Recent zijn er een aantal nieuwe antistollingsmiddelen geïntroduceerd. Deze bieden voordelen als een beter voorspelbare farmacokinetiek en –dynamiek en voorkomen daarmee de noodzaak tot regelmatige controle van de INR. Grote studies hebben de effectiviteit van deze medicatie voor een aantal patiëntengroepen aangetoond. Voor dit protocol is de recente leidraad voor de introductie van de nieuwe orale anticoagulantia van het Ministerie van Volksgezondheid gebruikt. In de toekomst zal dit beleid via onderzoek nog verder uitgezocht moeten worden.

Beleid bij trombocytenaggregatieremmers en vitamine K antagonisten

Beleid bij nieuwe orale anticoagulantia (NOAC)

Er zijn op dit moment drie nieuwe NOAC geregistreerd: rivaroxaban (Xarelto), dabigatran (Pradaxa) en apixaban (Eliquis). Indicaties voor deze middelen zijn cardiale aandoeningen, orthopedische indicaties en de behandeling van diepe veneuze trombose.

Apixaban is zeer recent geregistreerd en de leidraad behandelt dan ook voornamelijk de andere twee middelen. Voor meer informatie over deze middelen verwijzen wij naar de leidraad (ad 4). Bij deze middelen moet rekening worden gehouden met het feit dat het effect van deze NOAC sneller is uitgewerkt dan bij de VKA’s en dat bij herstarten er binnen 2-3 uur weer een therapeutisch effect wordt bereikt. De balans is dus anders dan bij de VKA’s.

Bronnen

  1. Richtlijn Overbruggingstherapie antistolling en thrombocytenaggregatieremmers en starten antistolling na vasculaire ingreep – Afdeling Vasculaire Geneeskunde, AMC.
  2. Richtlijn Peri-operatief antistollingsbeleid bij patiënten die pre-operatief antistollingsmedicatie gebruiken – Afdeling Anesthesiologie, Albert Schweitzer ziekenhuis.
  3. Perioperative suspension of anticoagulants: pratical recommendations. De Jong JS, Vink R, Henny ChP, Levi M, Van Den Brink RB, Kamphuisen PW. NTVG 2009; 153(33): A83.
  4. Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelen. Werkgroep NOAC’s van de Wetenschappelijke Verenigingen en Orde van Medisch Specialisten.
Onder beheer van afdeling: 
Anesthesiologen